Nadere info module "Over op insuline"

Insuline toediening

De meeste mensen spuiten insuline onderhuids (ofwel subcutaan) in het bovenbeen of in de buik, soms in een bil of de bovenarm. U doet dat met een insulinepen ter grootte van een vulpen. Er zijn pennen die al gevuld zijn met insuline, en pennen waar u zelf een patroon met insuline in moet doen.

De hoeveelheid insuline die u spuit wordt uitgedrukt in internationale eenheden, op schrift afgekort als IE of nog simpeler als E. De meeste patronen of pennen bevatten 300 eenheden insuline in 3 milliliter. Er zijn ook pennen die 200 E insuline per 1 milliliter en 300 E insuline per 1 milliliter bevatten.

Spuiten leert u van een deskundige, zoals een diabetesverpleegkundige of een praktijkondersteuner. Samen kiest u de pen die het beste bij u past. Zij zal ook een naaldlengte kiezen die past bij de dikte van uw huid, zodat de insuline onder de huid en niet in de huid of in de spier eronder terecht komt. Spuiten in de spier kan niet erg veel kwaad, maar is pijnlijker, kan een kleine bloeding veroorzaken, en versnelt meestal de opname van insuline in het bloed.

Insuline wordt vanuit de buik sneller in het bloed opgenomen dan vanuit een arm, een been of bil. Om te zorgen dat uw insulinedosis en voeding in balans blijven met de opname van de insuline in het bloed, is het dus van belang om steeds op dezelfde tijd in hetzelfde lichaamsdeel te spuiten. Bijvoorbeeld elke ochtend in de buik en elke avond in het bovenbeen.

U leert ook om te roteren, ofwel steeds minstens 1 cm naast een vorige plek te spuiten. U ziet dat op het plaatje. Dat is van belang om spuitplekken te voorkomen, waarover we later wat meer vertellen. Met een beetje oefening blijkt het spuiten erg mee te vallen en wordt het een simpele routine. Met de dunne en korte naaldjes van tegenwoordig voelt u er vrijwel niets van.

Er zijn ook andere manieren om insuline toe te dienen. Een pomp dat is verbonden met een onderhuids naaldje kan uitkomst bieden als het met meermaals daags insuline spuiten niet lukt goede glucosewaarden te bereiken. In het ziekenhuis wordt insuline soms via een ader toegediend. Heel soms wordt een pomp met een slangetje naar de buikholte gebruikt. Bij grote spuitangst (vooral bij kinderen) kan worden gekozen voor een hogedrukspuit zonder naald, of een onderhuids slangetje dat enkele dagen kan blijven zitten.

Enkele wetenswaardigheden over het spuiten met een pen hebben we in een overzicht gezet: 


Wetenswaardigheden over het insuline spuiten met een pen
 
wat/waar/hoe
verklaring of bijzonderheden
pen
er is keuze tussen voorgevulde wegwerppennen of pennen waar een vulling in moet
300 eenheden (E) insuline in 3 ml
600 eenheden (E) insuline in 3 ml
900 eenheden (E) insuline in 3 ml
naald
lengte individueel te bepalen
bij voorkeur 5-6 mm, soms langer
éénmalig gebruiken
om huidbeschadiging te voorkomen
alle naaldjes passen op alle pennen
een enkele uitgezonderd
injectieplaats
in onbeschadigde huid
ook niet in bobbels of spuitplekken¹
in welk lichaamsdeel u ook spuit: steeds minstens 1 cm verder roteren
om spuitplekken te voorkomen
(middel)langwerkende in bovenbeen/bil, bij tweemaal daags ook in de buik
in been/bil tragere opname insuline dan in buik
snel- of kortwerkende in buik
snelste opname (maaltijd insuline)
zo mogelijk niet in bovenarm
meer kans op injectie in spier
voorbereiding
huid schoon en droog
niet desinfecteren
troebele insuline > 10 keer zwenken
moet goed gemengd vóór injectie
heldere insuline: zwenken hoeft niet
betreft kort- en snelwerkende of langwerkende insuline
< 12 eenheden troebele insuline: nieuwe pen (vulling) nemen
goede menging anders niet zeker
NB: volg voor al dan niet zwenken de aanwijzingen in de bijsluiter van uw insulinepen of –patroon
injectie zelf
techniek individueel te bepalen
zie stappen op video
niet door kleding (ondanks gemak)
naald soms tekort, huid niet te zien
pijn vermijden
passende naaldlengte
injectie in spier of huid is soms pijnlijk
insuline op kamertemperatuur
koude insuline kan pijn veroorzaken
maximaal 50 eenheden per injectie
bij hogere dosis: verdelen²
spuitplekken
voorkómen: steeds wisselen van plaats (roteren) en op juiste diepte spuiten
plekken die toch ontstaan verdwijnen langzaam als u er niet meer in spuit
na injectie
injectieplaats niet masseren
geeft wisselende opname insuline
naald in naaldencontainer doen
verkrijgbaar bij naaldenleverancier
¹ zie ABC onder spuitplekken ² bij dosis boven 40-50 eenheden is verdelen over 2 injecties beter
© 2017/DIEP®/MUMC met gegevens uit EADV-richtlijn Het toedienen van insuline met de insulinepen (2017) (zie document hieronder)