Voor zelfcontrole hebt u verschillende dingen nodig, dat is uw "zelfcontrole-materiaal": een prikpen met naaldjes (ook wel lancetjes genoemd), en een bloedglucosemeter met de bijbehorende teststrookjes of "strips".
Er zijn verschillende soorten meters. Ze kunnen verschillen in grootte, grootte van het afleesvenster, hoeveelheid benodigd bloed, meetsnelheid en geheugen. De meeste meters bieden de mogelijkheid tot uitlezen via een computer.
Een metertje aanschaffen is op zich eenvoudig, maar een goede keuze maken en er goed mee omgaan is een ander verhaal. Een belangrijk verhaal, want een voor u onhandige meter of een kleine slordigheid leidt al gauw tot een onbetrouwbare uitslag.
Zelfcontrole kunt u het beste leren van uw praktijkondersteuner of diabetesverpleegkundige, of op een cursus van de Diabetes Vereniging. U kiest samen een meter die het beste bij u past.
U hoort dan ook of het nodig is om op úw glucosemeter de code van een nieuwe verpakking strips in te stellen. Dat is een eenvoudige handeling.
U leert ook de prikpen in te stellen op de voor u juiste diepte. Dat hoeft u met uw eigen pen maar eenmaal te doen.
|